Aardverschuiving in sportend Nederland

Wie zijn er eigenlijk aan zet als het gaat om het vergroten van de sportparticipatie in ons land? De sportverenigingen, met hun unieke maatschappelijke functie en mogelijkheden? Of de gemeenten, die het totaal aan alle sportmogelijkheden overzien, dus ook de ongeorganiseerde sport?

Het was een prikkelende stelling, tijdens een bijeenkomst laatst in Zeist, zeker gezien de aanwezigheid van diverse grote sportbonden, NOC*NSF, VWS en de Vereniging Sport en Gemeenten. Logischerwijs is het antwoord op deze vraag ‘beide’, maar toch ontstond er een interessante discussie over de rollen van gemeenten en verenigingen in de toekomst van de Nederlandse sport. Niet zo vreemd, als je bedenkt dat op dit vlak momenteel een aardverschuiving plaatsvindt van georganiseerd naar ‘anders’ georganiseerd sporten. En dat is voor NOC*NSF (lees: de verenigingen en bonden) reden genoeg om aan vele alarmbellen te trekken. En terecht.

Vrij sporten

Inmiddels sport ongeveer de helft van de Nederlanders anders georganiseerd. Dat betekent dat ze lid zijn van een hardloopgroep, naar een fitness of boksschool gaan of bijvoorbeeld af en toe mee doen aan sportevenementen. Sommige van deze mensen zijn ook lid van een sportvereniging overigens, maar de ontwikkeling om ‘vrij’ te kunnen sporten, op het moment dat het jou uitkomt, is al enige tijd niet te stoppen. De jeugd laat duidelijk zien waar het naar toe wil. Op 18-jarige leeftijd is het individueel of in ander verband sporten al even populair als het sporten in verenigingsverband. Na hun 18wordt het anders georganiseerd sporten zelfs populairder. (Bron: scp/cbs (vto’12-’16) Los van deze trend, zijn er de demografische ontwikkelingen zoals de vergrijzing en de groeiende diversiteit in de samenleving die sportclubs dwingen tot het nadenken over hun aanbod.

Lokaal sportbeleid wordt leidend

En dan komen toch die gemeenten om de hoek kijken. Want die demografische ontwikkelingen zijn sterk afhankelijk van de lokale situatie. Voor een effectief sportbeleid, zo concludeerde ook het Mulier Instituut en het SCP laatst, wordt het in toenemende mate van belang om inzicht te hebben in de lokale situatie. Welke groepen blijven achter? Welke voorkeuren leven er en hoe kun je daar (sportief) op inspelen? Wat doe je op de scholen en om burgers met een migratie-achtergrond aan het sporten te krijgen? Het is niet zo vreemd dat de gemeenten steeds meer aan zet zijn als coördinator van het sportbeleid. In het Sportakkoord staat dit al expliciet beschreven. Het gevolg is dat niet alleen de regie, maar ook veel van het geld richting gemeenten gaat. En dat is een behoorlijke aardverschuiving. Veel van de miljoenen die voorheen op de Papendalse bankrekening werd gestort, gaat nu richting gemeenten. Een logisch gevolg van de ontwikkelingen, dat wel. Samenwerking tussen anders georganiseerde sporten en de clubs is noodzakelijk. De sporter is niet meer in één hokje te duwen.

Grote verantwoordelijkheid

De vraag is gerechtvaardigd of de gemeenten kunnen omgaan met deze nieuwe verantwoordelijkheid, die bovenop heel veel andere taken komt. Slagen al die buurtcoaches, sportcoaches, lokale aanjagers en wethouders erin om hun burgers aan het sporten te krijgen of te houden? Begrijpen ze de sportwereld voldoende om clubs vitaal te houden, het aanbod op maat te maken en bestuurders te ondersteunen? Het is belangrijk dit kritisch te blijven volgen, al is het maar uit respect voor al die clubs, die aan de basis hebben gestaan van de schitterende Nederlandse sportinfrastructuur. Laten we dus vooral hopen dat gemeenten gebruik maken van die kennis en ervaring en de miljoenen niet gebruiken om op allerlei gebieden het wiel opnieuw uit te vinden.